© Theo Baart
Wegen naar Welzijn bekijk alle Processen

Waarom Groeikernen?

Sectie
Mobiliteit
Overbos
Wegen naar Welzijn
Gepubliceerd op

In de jaren zestig wilde de nationale overheid de enorme toename van de vraag naar woningen als gevolg van de naoorlogse babyboom en de verwachte verstedelijking in goede banen leiden door een sterke groei toe te staan in achttien speciaal aangewezen groeikernen en de bevolkingsgroei in andere,
niet-aangewezen kernen te beperken.

In de jaren zeventig vond er een aanzienlijke uitstroom plaats uit de grote steden, gedreven door de wens van huishoudens naar meer ruimte, meer groen en meer comfort.

Groeikernbeleid

De beginselen van gebundelde decentralisatie werden vastgelegd in de Tweede Nota Ruimtelijke Ordening (1966). In de Urbanisatiewet (1976), onderdeel van de Derde Nota Ruimtelijke Ordening (1974), werden zestien kleine tot middelgrote steden aangewezen als ‘groeikernen’. Van deze steden werd verwacht dat ze aanzienlijk zouden groeien ten behoeve van de nabijgelegen grotere stad. Gemeenten met de status van groeikern kwamen in aanmerking voor overheidssubsidies om hun woningvoorraad en voorzieningen uit te breiden. Het uiteindelijke doel was om de status van ‘complete stad’ te bereiken (Reijndorp et al. 2012). Deze groeikernen kenden in de jaren zeventig en tachtig een snelle bevolkingsgroei, wat het hoogtepunt van de suburbanisatie markeerde, vooral onder jonge gezinnen die de binnenstad verlieten.

Massale toename van autogebruik

Deze ontwikkelingen vonden plaats tegen de achtergrond van een tijdperk van massale motorisering in Nederland, dat begon in de jaren vijftig en duurde voort tot in de jaren zeventig. In deze periode kende het land een snelle toename van het autobezit en -gebruik, wat leidde tot een aantal sociale, economische en ecologische veranderingen. De opkomst van de auto werd gezien als een symbool van vooruitgang en moderniteit, en de Nederlandse overheid investeerde fors in de aanleg van nieuwe wegen en snelwegen om het groeiende aantal auto’s op de weg op te vangen.

Dit beleid van suburbanisatie en autoafhankelijkheid zijn met elkaar verweven en beïnvloeden elkaar.

Koerswijziging

Als gevolg hiervan werden nieuwe woonwijken gebouwd in en aan de randen van de centrale steden. Het resultaat hiervan was dat jonge gezinnen in de stedelijke regio’s Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht steeds vaker hun voorkeur voor wonen in de voorsteden konden realiseren aan de randen van (en zelfs in) de centrale stad. Door deze verandering moesten de groeikernen concurreren met de centrale stad, waardoor hun positie verzwakte. Hoewel de groeikernen waren bedacht met hoge idealen en verwachtingen, konden ze hun volledige potentieel niet realiseren en raakten ze achterhaald door andere ontwikkelingen in het nationale beleid (Provoost, n.d.).

In de jaren zestig en zeventig wees de Nederlandse regering bepaalde steden aan als ‘groeikernen’ om de bevolkingsgroei en verstedelijking te beheersen. Dit viel samen met een periode van massale motorisering. Door beleidswijzigingen verschoof de focus echter naar een compactere verstedelijking om de suburbanisatie een halt toe te roepen, waardoor de positie van de groeikernen, die hun volledige potentieel niet konden realiseren, werd verzwakt.

Lees hier het volledige rapport